Het Hof van Justitie (HvJ EU) heeft een arrest gewezen over de teruggaaf van invoerrechten aan een Japanse autofabrikant. Het douanerecht is voor een belangrijk deel gebaseerd op Europese verordeningen. Daarbij vormt het Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU) de basis voor de douanewetgeving. In deze verordening zijn de uitgangspunten en basisbepalingen van de douanewetgeving te vinden. Het DWU is nader uitgewerkt in een tweetal verordeningen van de Europese Commissie, de Gedelegeerde Verordening en de Uitvoeringsverordening. De bepalingen uit deze verordeningen mogen volgens de regels van de EU niet in strijd zijn met het DWU. Hieronder een toelichting.

Uitvoeringsverordening ongeldig verklaren door HvJ EU

Hoewel het HvJ EU hier in de praktijk terughoudend mee omgaat, kwam zij recent in een douanezaak tot onderstaand oordeel. Dat leidde in die zaak tot een (aanzienlijke) vermindering van te betalen douanerechten.

Indien een in de uitvoeringsverordening vastgestelde bepaling in strijd is met de basisverordening dan kan deze bepaling door het HvJ EU ongeldig worden verklaard.

In het onderhavige geval had een importeur bij een Japanse fabrikant auto’s gekocht en in Nederland in het vrije verkeer gebracht. De importeur verkoopt de auto’s vervolgens door aan autodealers. De douanewaarde van de auto’s is vastgesteld overeenkomstig de hoofdregel van artikel 29, Communautair Douanewetboek (hierna: “CDW”): dat wil zeggen op basis van de door de importeur aan de fabrikant betaalde koopprijs. Ten aanzien van een aantal auto’s werd meer dan één jaar na de invoer een defect geconstateerd. De betrokken dealers hebben deze gebreken vervolgens hersteld op grond van de door hen verstrekte garantie. De importeur heeft de kosten van deze vervanging aan de dealers vergoed. Daarop heeft de fabrikant die kosten aan de importeur vergoed op grond van de garantieverplichting in de met de importeur gesloten koopovereenkomst.

Verzoek (gedeeltelijke) terugbetaling van douanerechten

De importeur heeft de Nederlandse douane vervolgens overeenkomstig artikel 236 CDW verzocht om gedeeltelijke terugbetaling van de douanerechten die zij eerder had voldaan. Dit verzoek was gebaseerd op het feit dat de douanewaarde van deze auto’s achteraf lager bleek te zijn dan de oorspronkelijke douanewaarde (de gehanteerde verkoopprijs moest worden verminderd met de reparatiekosten). Op grond van artikel 236 CDW kan zo’n verzoek tot uiterlijk drie jaar na de invoer worden gedaan.

Het HvJ EU heeft zich vervolgens – naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Hoge Raad – moeten buigen over de vraag of de termijn van twaalf maanden wel geldig was.

Het HvJ EU overweegt onder meer dat de Europese Commissie toepassingsbepalingen kan vaststellen die noodzakelijk of nuttig zijn voor de uitvoering van de basisregeling, mits die bepalingen niet in strijd zijn met de basisregeling zelf – in dit geval dus de uitvoering van artikel 29 CDW. Op grond van artikel 29 CDW moet de douanewaarde van de goederen overeenkomen met de transactiewaarde – dus de voor die goederen werkelijk betaalde prijs, waarbij deze prijs – bij gebreken – nader kan worden aangepast overeenkomstig artikel 145 UCDW.

Termijn aanpassing douanewaarde

Door de termijn van twaalf maanden zal de douanewaarde van de ingevoerde goederen – zo overweegt het Hof – niet overeenkomen met de werkelijk betaalde prijs zoals voorgeschreven in artikel 29 CDW.
De douanewaarde kan immers niet meer worden aangepast wanneer deze prijswijziging geschiedt ná twaalf maanden. In zo’n geval leidt artikel 145, lid 3 UCDW dus tot een vaststelling van de douanewaarde die niet overeenkomt met de (na invoer gewijzigde) transactiewaarde. En dat levert derhalve strijd op met artikel 29 CDW.

Het HvJ EU concludeert derhalve dat artikel 145, lid 3 UCDW ongeldig is voor zover deze bepaling voorziet in een twaalfmaandstermijn waarbinnen de wijziging van de werkelijk betaalde prijs moet plaatsvinden. Een mooi resultaat voor de importeur. Het leverde hem een (forse) terugbetaling van douanerechten op.

In dit geval ging het om de geldigheid van een bepaling in de uitvoeringsverordening op het gebied van de berekening van de douanewaarde. Maar er zijn tal van douaneonderwerpen die primair in de basisverordening (DWU) zijn geregeld en nader zijn uitgewerkt in de (omvangrijke) verordeningen van de Europese Commissie.

Importeurs doen er daarom verstandig aan om te beoordelen of de nadere uitvoeringsbepalingen wel altijd in lijn zijn met het DWU.