Middels deze blog willen we je kort op de hoogte stellen van een arrest van het EU Hof van Justitie (“HvJ”), dat van belang is binnen de leasebranche. Het betreft het arrest “Mercedes-Benz Financial Services UK Ltd”.

 

Conclusie

Op basis van het arrest lijken de in het Nederlandse Leasebesluit genoemde eisen, op grond waarvan de afgifte van een auto op basis van een leaseovereenkomst als levering kwalificeert, niet meer onverkort van toepassing te zijn. Leasemaatschappijen kunnen dus eerder het standpunt innemen dat een lease als ‘levering’ voor de btw kwalificeert, als dat zo uitkomt.

 

Feiten en omstandigheden

De feiten die aanleiding gaven tot het arrest, waren als volgt:

  • Mercedes-Benz Financial Services bood een huurovereenkomst met koopoptie aan.
  • Op grond van deze leasevariant werd lessees de mogelijkheid geboden de keuze tussen huren of kopen uit te stellen tot na afgifte van de auto.De maandelijkse termijnen waren lager dan bij de eveneens aangeboden huurkoopvariant.
  • Het totaal van de termijnen bedroeg ongeveer 60% van de verkoopprijs van de auto, inclusief financieringskosten.
  • Als de lessee de optie tot aankoop van de auto wilde uitoefenen, moest hij dus nog ongeveer 40% van de verkoopprijs van de auto betalen.
  • De lessee wordt drie maanden voor het einde van de looptijd van de overeenkomst gevraagd of hij de optie wenst uit te oefenen (hetgeen ongeveer de helft van de lessees vervolgens ook deed).
  • De belastingautoriteiten in de UK waren van mening dat deze leasevariant voor de btw een levering van goederen betrof, en geen dienst, zodat geen btw verschuldigd was over de leasetermijnen, maar bij de afgifte van de auto op basis van de overeenkomst meteen btw over het geheel verschuldigd was.

 

Oordeel HvJ

Het HvJ gaat in dit arrest na, of de voornoemde leasevariant voor de btw als een levering of als een dienst kwalificeert.

Allereerst geen het HvJ aan, dat het gegeven dat de eigendom aan het einde wordt overgedragen en dat de optelsom van de termijnen praktisch gelijk is aan de verkoopwaarde van het goed, criteria zijn die relevant zijn voor de beoordeling of dit voor de btw een levering is.

Daarnaast moet echter ook worden bekeken, of het hier niet toch om huur gaat, ondanks het beding dat normaal het goed uiterlijk bij de betaling van de laatste termijn in eigendom wordt verkregen. Daarvoor zijn twee dingen relevant:

  • de overeenkomst moet een uitdrukkelijke bepaling inzake de overdracht van de eigendom van het goed van de lessor aan de lessee bevatten (hieraan wordt voldaan als de overeenkomst een koopoptie bevat); en
  • uit de overeenkomst moet blijken dat de eigendom van het goed automatisch wordt verkregen door de lessee wanneer de overeenkomst op de normale wijze wordt uitgevoerd, tot het einde van de looptijd.

 

Om als levering te kwalificeren, moet de uitoefening van de koopoptie eigenlijk de enige economisch rationele keuze zijn. Dat zal volgens het HvJ met name zo zijn, als de som van de termijnen overeenstemt met de marktwaarde ten tijde van het aangaan van het contract, inclusief de financieringskosten, en de lessee bij de uitoefening van de optie geen aanzienlijk bedrag meer hoeft moet betalen.

 

Conclusie / gevolgen

Om te beoordelen of een lease kwalificeert als een levering of dienst, kijkt het HvJ eigenlijk alleen naar de voornoemde afspraken tussen partijen.

Het in Nederland in de branche bekende ‘Leasebesluit’ uit 2007 noemt vijf voorwaarden, waaronder een lease kwalificeert als levering. De volgende voorwaarden worden gesteld:

  • het goed staat feitelijk aan de lessee ter beschikking; de lessor heeft op grond van het leasecontract het gebruik van het goed door de lessee alleen beperkt om de zekerheidsfunctie van het leaseobject veilig te stellen;
  • de lessee neemt de kosten van gebruik, onderhoud en verzekering van het goed voor zijn rekening vanaf het moment dat het goed aan hem ter beschikking is gesteld. Ook het risico van waardeveranderingen of het eventuele tenietgaan van het goed en het risico van terugname komen vanaf dat moment voor rekening van de lessee;
  • de lessee heeft de optie om het goed aan het eind van de leaseperiode te kopen voor een zodanig lage prijs, dat mag worden aangenomen dat hij deze optie zal uitoefenen. De optieprijs is bij het aangaan van de leaseovereenkomst vastgesteld. Aan deze voorwaarde is volgens de Staatssecretaris voldaan, als de optieprijs zo laag is dat deze de lessee in economisch opzicht als het ware dwingt om de optie uit te oefenen. Een optieprijs is economisch “dwingend” als deze prijs is vastgesteld op niet meer dan 10% van de waarde van het goed in het economische verkeer aan het eind van de leaseperiode;
  • de lessee heeft het recht op elk door hem gewenst moment de juridische eigendom van het goed te verkrijgen door de resterende leasetermijnen (exclusief het rentebestanddeel) ineens af te lossen en de onder 3 bedoelde optieprijs te voldoen;
  • met uitzondering van de situatie beschreven bij punt 4, kan de leaseovereenkomst gedurende de looptijd niet eenzijdig worden beëindigd.