Als btw-specialisten krijgen wij geregeld de vraag: vormen mijn werkzaamheden in Lidstaat X een vaste inrichting? In recente rechtspraak van het Europese Hof van Justitie is bevestigd wat niet als vaste inrichting kwalificeert: de verhuur van een onroerende zaak, waarbij geen lokaal personeel betrokken is.

Feiten

Titanium Ltd. is gevestigd op Jersey. Titanium bezit vastgoed in Wenen. Er wordt in Oostenrijk een vastgoedbeheerder ingeschakeld. Via die vastgoedbeheerder wordt het vastgoed verhuurd aan twee Oostenrijkse ondernemers. De werkzaamheden van de vastgoedbeheerder bestaan uit het in rekening brengen van huursommen en de exploitatiekosten, het bijhouden van de handelsregisters en het voorbereiden van de btw-aangiften.

Over de huurtermijnen brengt Titanium geen Oostenrijkse btw in rekening, omdat die btw verlegd is naar de Oostenrijkse ondernemers. Zo gaat het in veel landen, wanneer een niet in dat land gevestigde ondernemer een vastgoeddienst verricht aan een lokaal gevestigde ondernemer.

De Oostenrijkse fiscus neemt echter het standpunt in, dat Titanium over een vaste inrichting in Oostenrijk beschikt. Dat zou betekenen dat Titanium voor btw-doeleinden in Oostenrijk als aldaar gevestigde ondernemer zou moeten worden aangemerkt (in plaats van als buitenlandse ondernemer), en dus Oostenrijkse btw in rekening had moeten brengen. De Oostenrijkse fiscus heft alsnog btw na.

Oordeel Hof van Justitie

De zaak komt uiteindelijk voor het Europese Hof van Justitie (“HvJ”). Dat oordeelt dat in een lidstaat verhuurde onroerende zaken geen vaste inrichting vormen, als de eigenaar niet over eigen personeel beschikt om de verhuurdienst te verrichten.

Er moet immers sprake moet zijn van “een voldoende mate van duurzaamheid en een geschikte structuur om een zelfstandige verrichting van de betrokken diensten mogelijk te maken”. Een structuur die niet over eigen personeel beschikt, kan niet onder het begrip “vaste inrichting” vallen.

Het oordeel is in lijn met een arrest van de Hoge Raad uit 2019, waarin werd geoordeeld dat de verhuur van een vakantiewoning in Nederland via een verhuurkantoor niet als vaste inrichting kwalificeerde.

Conclusie

Al met al een “clear cut” casus met een duidelijk oordeel, dat op zich niet verrassend is. Voor de praktijk is het plezierig dat het HvJ bevestigd dat de uitsluitende verhuur van vastgoed niet tot een vaste inrichting leidt.

De enige vraag waar we mee blijven zitten, is de volgende. Wat verstaat het HvJ onder “eigen” personeel? Moet dat personeel zijn, dat op de payroll van Titanium staat? Dat lijkt ons niet, personeel kan ook worden ingehuurd en heeft daarmee in feite dezelfde status als eigen personeel. Dus ook ingehuurd personeel kan naar onze mening tot een vaste inrichting leiden.

In de praktijk is ook gewezen op de verouderde jurisprudentie die het HvJ aanhaalt om tot dit arrest te komen, en is de vraag gesteld of het oordeel nog wel van deze tijd is. In dit snel digitaliserende tijdperk is de inzet van menselijk kapitaal immers steeds minder vaak noodzakelijk om diensten te verrichten. De vraag is gerezen, of het arrest wel kan worden toegepast op andere sectoren, waar de inzet van arbeid niet voor de hand ligt. Naar onze mening is het HvJ echter zo stellig dat het oordeel in beginsel ook op andere sectoren kan worden toegepast.

Neem uw buitenlandse activiteiten nog eens onder de loep; vaste inrichting of niet?

Ondanks een helder arrest dat de praktijk bruikbare handvatten biedt bij een discussie met een buitenlandse autoriteit, blijft het oppassen geblazen. De verschillende Lidstaten hebben in onze ervaring zeer uiteenlopende opvattingen over het bestaan van vaste inrichtingen. Ook hier geldt wederom, dat activiteiten in een andere EU Lidstaat bij voorkeur vooraf worden geanalyseerd en langs de meetlat van lokale wet- en regelgeving worden gelegd. Voorkomen is beter dan genezen. Dat geldt uiteraard tevens voor de vaste inrichting in de vennootschapsbelasting.

Indien u nog vragen heeft of wilt overleggen, neem dan contact op met Joyce WesterveldRED Tax Specialists B.V.